Foto Marco Nedermeijer / Flickr

Europees kampioen wiskunde, wereldkampioen sociale ongelijkheid

auteur: 

Tino Delabie

De kloof tussen autochtone en allochtone leerlingen is nergens dieper dan in Vlaanderen. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek naar schoolprestaties van kinderen over de hele wereld. Onze leerlingen mogen dan wel mooie scores halen, de cijfers leren ons ook dat de sociale ongelijkheid in ons onderwijs erg groot is.

De PISA-onderzoeken meten om de drie jaar via testen bij leerlingen op de leeftijd tussen 15 en 16 jaar de leesvaardigheid, de wiskundige geletterdheid en de wetenschappelijke geletterdheid. Het eerste PISA-onderzoek had plaats in mei 2000 en het meest recente in mei 2015. De resultaten van PISA 2015 werden op 6 december 2016 wereldwijd bekend gemaakt. Aan PISA 2015 namen 540.000 leerlingen deel, in 72 landen of regio’s (voor België worden het Vlaams, Franstalig en Duitstalig onderwijs apart beschouwd). In Vlaanderen werden 5675 leerlingen uit 175 scholen bevraagd. Om te kunnen vergelijken werkt PISA met punten. De gemiddelde prestatie van alle jongeren bedraagt 500 en de standaardafwijking 100. Dat betekent dat twee derden van de jongeren (wereldwijd) een score halen tussen 400 en 600 punten.

Kampioen sociale ongelijkheid

De meest interessante resultaten van PISA, want statistisch de meest betrouwbare en politiek de meest relevante, behelzen wat PISA “de gelijkheid” noemt. Hoe zit het met de verschillen tussen de leerlingen binnen een zelfde onderwijssysteem?

In het Vlaams onderwijs bestaat er een gigantische kloof tussen de gemiddelde prestaties van de leerlingen naargelang de onderwijsvorm en de studierichting. Voor “wetenschappelijke geletterdheid” bedraagt de score in PISA 2015 voor een Vlaamse leerling 515 punten. Maar achter dit gemiddelde zitten grote verschillen: 582 punten in het ASO (algemeen secundair onderwijs), 508 punten in het TSO (technisch secundair onderwijs), 523 punten in het KSO (kunst secundair onderwijs), 402 punten in het BSO (beroeps secundair onderwijs), 358 punten in het BuSO (buitengewoon secundair onderwijs). Het verschil tussen de gemiddelde score van een 15-jarige ASO- en een 15-jarige BSO-leerling bedraagt dus 180 punten, bijna tweemaal de standaardafwijking, wat statistisch betekent dat het om twee totaal verschillende werelden gaat. De sociale samenstelling van het ASO en het BSO is totaal verschillend. In combinatie met deze PISA-cijfers kan men enkel vaststellen dat ons onderwijs met zijn hiërarchische onderwijsvormen (en studierichtingen) letterlijk een klasse-onderwijs is. Naargelang de sociale afkomst lopen de resultaten statistisch gezien enorm uiteen.

De onderzoekers van de Universiteit van Gent nemen in hun het rapport over het Vlaams luik van PISA 2015 een aantal grafieken en tabellen op die boekdelen spreken. In figuur 2 “de gemiddelde scores voor wetenschappen in vergelijking met de spreiding van de scores” ziet men dat het verschil tussen de prestaties van de 10 procent rijkste en de 10 procent armste leerlingen in het Vlaams onderwijs tot de hoogste van de onderzochte onderwijssystemen behoort.

In figuur 3 “Gemiddelde score voor wetenschappen in vergelijking met de impact van SES op de scores” luidt het verdict: “Gelijkheid in onderwijs kleiner dan gemiddeld”. SES betekent sociaaleconomische status en bevat een set indicatoren met betrekking tot de sociale afkomst van de leerling. PISA 2015 toont andermaal dat de sociale afkomst in het Vlaams onderwijs een grotere impact heeft op de leerprestaties dan in quasi de rest van de wereld.

Kloof tussen autochtone en allochtone leerlingen nergens dieper ?

In de publicatie van de Universiteit Gent over PISA 2015 staat er een tabel (figuur 4) met als titel: “de prestatieverschillen tussen autochtone leerlingen en leerlingen van buitenlandse afkomst”. In het Vlaams onderwijs bedraagt het verschil 82 punten, een wereldrecord. Na controle van SES (dit betekent dat men de factor sociaaleconomische status wegfiltert en dus 2 leerlingen vergelijkt met dezelfde sociale afkomst) bedraagt het verschil nog altijd 57 punten, ook een wereldrecord.

Ter vergelijking: in het Franstalig onderwijs bedragen de verschillen 46 en 26 punten, in Nederland 60 en 33 punten, in Frankrijk 62 en 32 punten, in Duitsland 72 en 50 punten. In Canada bedraagt het verschil statistisch nul, dat betekent dat een leerling van buitenlandse afkomst er gemiddeld even hoog scoort als een allochtone leerling.

Het is dus niet overdreven als De Standaard titelt “Kloof tussen autochtone en allochtone leerlingen nergens dieper dan in Vlaanderen”.

Bovenop de sociale ongelijkheid die in het Vlaams onderwijs statistisch tot de hoogste van de wereld behoort, bestaan er in het Vlaams onderwijs ook specifieke factoren die maken dat een leerling van buitenlandse afkomst hier, in vergelijking met een autochtone leerling, extra slecht scoort.

Waarom is het Vlaams onderwijs kampioen van de sociale ongelijkheid?

Op basis van de resultaten van vroegere PISA-onderzoeken heeft Nico Hirtt van “Oproep voor een democratische school” aangetoond dat de combinatie van een aantal structurele kenmerken van het Vlaams onderwijssysteem verklaren waarom de sociale ongelijkheid en de sociale segregatie zo groot zijn. Deze vaststellingen gelden trouwens evenzeer voor het Franstalig onderwijs.

Eén. Het liberale inschrijvingsbeleid met de heilige vrije schoolkeuze die een sociale mix in de weg staat en waardoor we in de steden soms letterlijk een rijke en een arme concentratieschool naast elkaar . De N-VA, gesteund door het Vlaams Belang, ontketent dezer dagen al haar duivels om de stappen die werden gezet in de richting van een betere sociale mix, zoals de dubbele contingentering, terug te draaien, maar botst gelukkig op grote weerstand vanuit progressieve en democratische hoek. De uitkomst van deze “klassenstrijd” rond het inschrijvingsbeleid is nog niet beslecht. De PVDA is voorstander van een inschrijvingsbeleid dat elke leerling een plaats garandeert in een gemakkelijk bereikbare EN sociaal gemengde school.

Twee. De vroegtijdige opsplitsing in hiërarchische studierichtingen en onderwijsvormen. Bij ons de facto vanaf 12 jaar. Nergens in Europa, behalve in Duitsland, gebeurt dit zo vroeg. De geplande hervorming van het secundair onderwijs, waar de N-VA elke progressieve vooruitgang heeft afgeremd, zal daar wellicht niet veel aan veranderen. De PVDA is voorstander van een veelzijdige, algemene en polytechnische, vorming voor alle jongeren en daarom van een grotendeels gemeenschappelijke vorming tot 16 jaar.

Drie. Het bestaan van concurrerende netten met een overwicht van het privaatrechtelijk katholiek onderwijs, dat statistisch gezien de meer (kans)rijke leerlingen aantrekt. De PVDA is geen voorstander van aparte confessionele scholen en pleit voor de grootst mogelijke samenwerking tussen de democratische krachten van alle netten en, op termijn, voor de fusie van de netten in een pluralistisch openbaar net.

Vier. De courante praktijk van het zittenblijven. In het Vlaams onderwijs heeft een vierde van de leerlingen op de leeftijd van 15 jaar minstens één jaar leerachterstand, terwijl het gemiddelde in de 35 OESO-landen 12% bedraagt en in het Franstalig onderwijs … 50%. De PVDA eist effectieve maatregelen om het zittenblijven drastisch te verminderen zonder dat het niveau neerwaarts wordt bijgesteld: kleinere klassen of meer leraars voor co-teaching in moeilijke klassen en voor snelle remediëring, specialisten voor ondersteuning van leerlingen met bijzondere noden …

Europees kampioen wiskunde?

Het Vlaams onderwijs heeft eenmaal, in PISA 2003, het hoogste gemiddelde behaald voor wiskundige geletterdheid, staat nu op de achtste plaats op de wereldranglijst maar binnen Europa op nummer één. Op basis van die prestatie gaf toenmalig onderwijsminister Frank Vandenbroucke zijn beleidsbrief 2004-2009 als titel “Vandaag kampioen in wiskunde, morgen in gelijke kansen?” Voor “gelijke kansen” hangt het Vlaams onderwijs nog altijd aan de staart.

Intussen hebben opeenvolgende representatieve peilingen, georganiseerd door het Vlaams Departement van Onderwijs, bloot gelegd dat er zeer grote verschillen bestaan in beheersing van de wiskunde naargelang de studierichting en dat grote segmenten van de eindtermen door minder dan de helft van de leerlingen worden behaald. Er is dus een grote discrepantie tussen de mooie resultaten van het Vlaams onderwijs in PISA en de Vlaamse peilingen die meten in welke mate de Vlaamse eindtermen van wiskunde worden bereikt.

Maar zelfs de puike PISA-resultaten kunnen niet verhullen dat er geen reden tot triomfalisme is. In 2003 scoorden 11,4% van de Vlaamse leerlingen beneden “niveau 2”, dat als absolute ondergrens wordt beschouwd. In PISA 2015 is dat cijfer opgelopen tot 16,9 %. Anderzijds is het percentage “toppresteerders” (in het jargon van PISA: niveau 5 of 6) in het Vlaams onderwijs gedaald van 34,3% in 2003 tot 20,7% in 2015 (wat weliswaar in vergelijking met het gemiddelde van de OESO-landen, dat 10,8% bedraagt in PISA 2015, nog altijd hoog is). Sommige voorstanders van een elitair onderwijs grijpen deze laatste evolutie trouwens aan om te pleiten voor hun zaak.

Behoort het Vlaams onderwijs tot de top?

In het Vlaams onderwijs scoren de leerlingen telkens, in elk PISA-onderzoek vanaf 2000 tot 2015 en voor elk van de drie onderdelen (leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid, wetenschappelijke geletterdheid) , gemiddeld méér dan 500 punten. Het Vlaams onderwijs zit meestal in de kopgroep als men vergelijkt met andere “landen”. Voor PISA 2015 komt het Vlaams onderwijs op de tiende plaats voor leesvaardigheid, op de achtste plaats voor wiskundige geletterdheid en op de elfde plaats voor wetenschappelijke geletterdheid. Op een totaal van 72 deelnemende landen of regio’s (bv Hong Kong, Macao, Sjanghai), waarvan 35 lidstaten van de OESO.

De vergelijking tussen landen of regio’s krijgt doorgaans het meest aandacht, maar is statistisch gezien de minst betrouwbare om meerdere redenen.

Een elementaire reden om de landenrangschikking te relativeren is het kleine verschil tussen de gemiddelden van de meeste landen. Voor wetenschappelijke geletterdheid bedraagt het gemiddelde van de 35 OESO-landen 493, voor het Vlaams onderwijs 515, voor het Franstalig onderwijs (van België) 485, voor Finland en Estland 531 en 534 punten. Het verschil tussen het Vlaams en het Franstalig onderwijs bedraagt dus 30 punten, wat niet zonder betekenis is, maar klein bier is vergeleken met de kloof van 180 punten tussen de Vlaamse ASO- en de Vlaamse BSO-leerling.

Voor wiskundige geletterdheid staat het Vlaams onderwijs op 521, het Franstalig onderwijs behaalt 489 punten, Frankrijk 493, Duitsland 502, Nederland 512, het gemiddelde voor de OESO-landen bedraagt 490 punten. Voor leesvaardigheid staat het Vlaams onderwijs op 511 punten, het Franstalig onderwijs op 483, Finland op 526, Singapore met 535 punten aan de wereldtop, terwijl het gemiddelde van de OESO-landen 493 bedraagt.

In deze editie van PISA is de stadsstaat Singapore wereldwijd de nummer 1 in de drie onderdelen, in 2012 stond Sjanghai (met weliswaar 20 miljoen inwoners maar toch maar een klein onderdeel in een land met 1,4 miljard inwoners) aan de wereldtop.

Een tweede reden waarom de landenrangschikking soms mank loopt is dat de leerplannen in sommige landen, al dan niet toevallig, meer conform of aangepast zijn aan wat PISA meet. Een land dat niet goed scoort is niet noodzakelijk achterlijk. Het groothertogdom Luxemburg scoort traditioneel slecht voor “leesvaardigheid” in de PISA-testen, maar alle jongeren spreken er op de leeftijd van 15 jaar wel minstens drie talen want zij hebben hun lessen eerst in het Luxemburgs, dan in het Frans en daarna in het Duits gevolgd en velen spreken thuis Italiaans of Spaans of een andere taal.

Wat meet PISA?

PISA is een onderzoek, georganiseerd door de OESO, de club van de rijke industrielanden en wereldwijd de belangrijkste denktank van het internationaal kapitalisme. PISA meet drie “competenties” die slechts een zeer beperkt fragment uitmaken van de kwaliteit van het onderwijs. De vragen rond “leesvaardigheid” testen in zekere mate of een leerling een tekst functioneel begrijpt, hoofd- en bijzaak uit elkaar kan houden. Maar PISA meet geenszins of een leerling een rijke woordenschat bezit, een mooi opstel of gedicht kan schrijven, veel boeken heeft gelezen, graag leest, en zelfs niet of hij zonder spellingsfouten kan schrijven. De testen rond “wiskundige geletterdheid” omvatten slechts een beperkt deel van de “wiskunde” en bestaan meestal uit vraagstukken die ingekleed zijn in een verhaaltje. Maar sommige leerlingen beheersen onvoldoende de taal om het verhaal te begrijpen en te vatten wat er wiskundig moet opgelost worden. Hetzelfde geldt voor “wetenschappelijke geletterdheid”. Er is onder onderwijsdeskundigen veel discussie over de vraag wat PISA echt meet. En PISA meet in elk geval veel aspecten die belangrijk zijn voor de kwaliteit van een onderwijssysteem helemaal niet.

Waarom scoort het Vlaams onderwijs beter dan het Franstalig onderwijs?

We hebben PISA niet nodig om te weten dat het Franstalig onderwijs slechter scoort dan het Vlaamse. Daar is iedereen het over eens. Er is minder consensus over de redenen voor dit verschil. Er bestaat hierover weinig ernstig onderzoek, want sinds de communautarisering van het onderwijs bestaan er nog nauwelijks gemeenschappelijke projecten van Franstalige en Vlaamse onderzoekers.

Het Franstalig onderwijs beschikt over 15% minder middelen per leerling in vergelijking met het Vlaams onderwijs. Dit is het resultaat van een kwarteeuw communautarisering van het onderwijs. In Brussel springt het verschil in financiering in het oog als je alleen nog maar de staat van de schoolgebouwen en hun uitrusting vergelijkt. Het is ongeloofwaardig te beweren dat er geen enkel verschil zou bestaan tussen de ingezette middelen en de kwaliteit van het onderwijs.

Na de grote lerarenstaking in het Franstalig onderwijs van 1996 heeft onderwijsminister Laurette Onkelinx het startschot gegeven voor de “approche par compétences” in een poging om de pil van de besparingen te vergulden met een zogenaamde pedagogische vernieuwing. De “competentiegerichte” aanpak heeft er voor gezorgd dat kennis een vies woord werd, dat de leerplannen werden vertaald in vage en vaak onbegrijpelijke “competenties” en dat het kennisniveau gedaald is. De gevolgen zijn zo nefast dat men nu met het “Pacte d’excellence” de ergste uitspattingen van de “approche par compétences” wil terugdringen. De ironie wil dat het Vlaamse onderwijs de laatste jaren, o.a. onder impuls van minister Smet maar nauwelijks afgeremd door minister Crevits, de “compentiegerichte” aanpak achterna loopt die in het Franstalig onderwijs intussen zijn failliet heeft bewezen.

Commentaar toevoegen

Bij het indienen van dit fomulier gaat u akkoord met het privacybeleid van Mollom.

Reacties

Beste, Het is zondagvoormiddag en er zitten hier bij mij twee pubers te studeren voor hun examen. Beiden komen uit niet zo kansrijke gezinnen. (daarom zitten ze hier en niet thuis waar teveel afleiding is) ze zitten toevallig beiden in een katholieke school. Volgens uw artikel zijn ze dus al bevoordeeld? Alsof de leerlingen in het GO onderwijs harder zouden moeten studeren om hun examens te leren. Ik zie de logica van uw betoog niet zo goed. Is er iemand binnen uw partij die weet hoe kinderen, jongeren, mensen 'leren'. Dat is volgens mij een proces van het oproepen van verwondering maar ook van discipline om het geleerde in te zien, te begrijpen, toe te passen en te integreren. En dat doet het er niet toe of je op een katholieke of op een GO school zit. U denk dat u de mens kunt veranderen door de structuur te veranderen. Dat lijkt me niet volledig op te gaan. vriendelijke groet